Eindexamen Sebastiaan Ammerlaan

<style> .eindexamen { white-space: pre; } .song { background: #444; overflow: auto; zoom: 1.0; padding-bottom: 1em; border: 1px solid #000; } .song .lyrics { float: left; color: #ddd; margin: 1em; width: 20em; } .song #russian.lyrics { background: #009; } .song #english.lyrics { background: #090; } .song .lyrics p { margin: .5em .2em; }

Introductie

Welkom bij mijn eindexamen. Vergeet niet je telefoon op stil en/of vliegtuigstand te zetten wanneer het concert begint.

Programma

1. Carlos Micháns ⁠— Cuerpo de mujer

Liedtekst (klik)

Pablo Neruda

Cuerpo de mujer, blancas colinas, muslos blancos, Lichaam van een vrouw, blanke heuvels, blanke dijen, te pareces al mundo en tu actitud de entrega. je lijkt op een wereld in je houding van overgave Mi cuerpo de labriego salvaje te socava Mijn arbeiderslijf graaft ruw in je y hace saltar el hijo del fondo de la tierra. en laat de zoon opspringen uit het diepst van de aarde.
Fui solo como un túnel. De mí huían los pájaros Ik ging alleen als een tunnel. Van mij vluchten de vogels y en mí la noche entraba su invasión poderosa. en de nacht betrad mij met een krachtige invasie. Para sobrevivirme te forjé como un arma, Om mezelf te overleven smeedde ik je als een wapen, como una flecha en mi arco, como una piedra en mi honda. als een pijl in mijn boog, als een steen in mijn slinger.
Pero cae la hora de la venganza, y te amo. Maar het uur van de wraak valt, en ik hou van je. Cuerpo de piel, de musgo, de leche ávida y firme. Lichaam van huid, van mos, van gretige en ferme melk. Ah los vasos del pecho! Ah los ojos de ausencia! Ah de schepen van de borst! Ah de ogen van afwezigheid! Ah las rosas del pubis! Ah tu voz lenta y triste! Ah de rozen van het schaambeen! Ah je zachte en trieste stem!
Cuerpo de mujer mía, persistiré en tu gracia. Vrouwenlichaam van mij, ik besta voort in jouw gratie.

2. Wilhelm Stenhammar ⁠— Gammal nederländare

Liedtekst

Bo Bergman

Det är inte roligt att stå och bulta längre Katinka. Het is niet leuk meer om te staan kloppen, Katinka. Månen lyser och vädren gå, De maan schijnt en de wind zwelt, och de frusna stjärnorna blinka. en de bevroren sterren twinkelen. Min knoge är rod, min näsa blå. Mijn knokkels zijn rood, mijn neus blauw. Se så, Kijk, lyft nu på dörrens klinka. hef nu de deurklink op.
Glänta på dörrn och låt mig få Zet de deur op een kier en laat me tak över huvudet, din slinka. een dak boven het hoofd hebben, jij sloerie. Du skall duka ett bord med små Je zal een tafel dekken met kleine förgyllda koppar som vinka, vergulde kopjes met een wenk, öl och brännvin och ost för två Ale (bier) en brandewijn en kaas voor twee och så en ook en fet och rykande skinka. een vette en stomende ham.

3. Carolus Hacquart ⁠— Miser es

1. Miser es

Thomas à Kempis

Miser es ubicumque fueris Miserabel ben je waar je ook bent et quocumque te verteris en waarheen je ook keert nisi ad Deum te convertas. als je je niet tot de Heer bekeert.
Quid turbaris Waarom ben je verstoord qui a non succedit als alles niet lukt tibi sicut vis et desideras. zoals jij wilt en verlangt.

3. Nemo est in mundo

Nemo est in mundo Er is niemand op de aarde sine aliqua tribulatione et angustia zonder beproevingen en angst quam vis rex sit vel regina. of je koning of koningin bent.

5. Dicunt mihi imbecilles et infirmi

Dicunt mihi imbecilles et infirmi: Zeggen veel imbecielen en zieken: "Ecce quam bonam vitam ille homo habet "Kijk wat een goed leven die man heeft Quam dives quam magnus quam potens et excelsus." Hoe rijk en groots en machtig en krachtig."
(6: Sed attende ad cælestia bona (Maar luister naar de hemelse goedheid et vide bis quod omnia ista temporalia nulla sunt.) en zie dat al dit tijdelijke niets is.)

4. Alphons Diepenbrock ⁠— Berceuse

Liedtekst

Charles van Lerberghe

Le Seigneur a dit à son enfant: De man heeft gezegd aan zijn kind: Va, par le clair jardin innocent des anges, Ga naar de heldere onschuldige tuin van de engelen, où brillent les pommes et les roses. waar de appels en rozen fonkelen Il est à toi. C'est ton royaume. Het is van jou. Het is jouw koninkrijk.
Mais ne cueille des choses Maar pluk niks van de dingen Que la fleur; dan de bloem; Laisse le fruit aux branches, Laat het fruit aan de takken, N'approfondis pas le bonheur. Zoek niet te veel geluk.
Ne cherche pas à connaître Streef niet te kennen Le secret de la terre Het geheim van de aarde Et l'énigme des êtres. En het enigma van het zijn. N'écoute pas la voix qui t'attire Luister niet naar de stem die je lokt Au fond de l'ombre, la voix qui tente, In het diepst van de schaduw, de stem die lonkt, La voix du serpent, ou la voix des sirènes, De stem van de slang, of de stem van de sirenen, Ou celle des colombes ardentes Of die van de vurige duiven Aux bosquets sombres de l'Amour. In de sombere bosjes van de liefde.
Reste ignorante, ne pense pas; chante. Blijf onwetend, denk niet na; zing. Toute science est vaine, Alle kennis is ijdelheid N'aime que la beauté. Hou van niks dan de schoonheid. Et qu'elle soit pour toi toute la vérité. En moge dat alle waarheid zijn die je nodig hebt.

5. Gerrit Jan van Eijken ⁠— König Harald Harfagar

Liedtekst

Heinrich Heine

Der König Harald Harfagar De koning Harald Harfagar Sitzt unten in Meeresgründen, Zit onder op de zeebodem, Bei seiner schönen Wasserfee; Bij zijn mooie waterfee Die Jahre kommen und schwinden. De jaren komen en gaan.
Von Nixenzauber gebannt und gefeit, Door watergeestenmagie verbannen en immuun, Er kann nicht leben, nicht sterben; Hij kan niet leven, niet sterven; Zweihundert Jahre dauert schon Tweehonderd jaar duurt al Sein seliges Verderben. Zijn zalig verderf.
Des Königs Haupt liegt auf dem Schoß Het hoofd van de koning ligt op de schoot Der holden Frau, und mit Schmachten Van de schone vrouw, en smachtend Schaut er nach ihren Augen empor; Kijkt hij naar haar ogen op Kann nicht genug sie betrachten. Kan niet genoeg ze aanschouwen.
Sein goldnes Haar ward silbergrau, Zijn gouden haar werd zilvergrijs Es treten die Backenknochen De jukbeenderen treden Gespenstisch hervor aus dem gelben Gesicht Geestachtig naar buiten uit het gele gezicht Der Leib ist welk und gebrochen. Het lijf is week en gebroken
Manchmal aus seinem Liebestraum Soms uit zijn liefdesdroom Wird er plötzlich aufgeschüttert, Wordt hij plotseling opgeschud Denn droben stürmt so wild die Flut Want boven stormt zo wild de vloed Und das gläserne Schloß erzittert. En het glazen slot trilt
Manchmal ist ihm, als hört er im Wind Soms is het hem, alsof hij hoort in de wind Normannenruf erschallen; Een Noormannenroep schallen; Er hebt die Arme mit freudiger Hast, Hij heft zijn armen met vreugdige haast, Läßt traurig sie wieder fallen. Laat ze treurig weer vallen.
Manchmal ist ihm, als hört er gar, Soms is het hem, alsof hij zelfs hoort, Wie die Schiffer singen hier oben Hoe de schippers zingen hierboven Und den König Harald Harfagar En de Koning Harald Harfagar Im Heldenliede loben. In heldenliederen loven.
Der König stöhnt und schluchzt und weint De koning steunt en snikt en weent Alsdann aus Herzensgrunde. Vervolgens uit hartsredenen Schnell beugt sich hinab die Wasserfee Snel buigt zich omlaag de waterfee Und küßt ihn mit lachendem Munde. En kust hem met lachende mond.

Schilderij van Harald Harfagar

Harald_Harfagar
Gustave Max Stevens (1871-1946) ⁠— Le Roi Harald Harfagar

6. Einojuhani Rautavaara ⁠— Fünf Sonette an Orpheus

1. Da stieg ein Baum

Rainer Maria Rilke

Da stieg ein Baum. O reine Übersteigung! Daar steeg een boom. O pure overstijging! O Orpheus singt! O hoher Baum im Ohr. O Orpheus zingt! O hoge boom in het oor. Und alles schwieg. Doch selbst in der verschweigung En alles zweeg. Maar zelfs in de verstilling ging neuer Anfang, Wink und Wandlung vor. kwam een nieuw begin, een wenk en verandering.
Tiere aus Stille drangen aus dem klaren Dieren uit stilte drongen uit het heldere gelösten wald von Lager und Genist; verloste woud uit hollen en nesten; und da ergab sich, daß sie nicht aus List en daar bleek, dat zij niet uit listigheid und nicht aus Angst in sich so leise waren, en niet uit angst zo zacht waren,
sondern aus Hören. Brüllen, Schrei, Geröhr maar uit horen. Brullen, huilen, geschreeuw schien klein in ihren Herzen. Und wo eben schenen klein in hun harten. En waar zojuist kaum eine Hütte war, dies zu empfangen, nauwelijks een hut was om deze te ontvangen,
ein Unterschlupf aus dunkelstem Verlangen een onderdak uit het donkerste verlangen mit einem Zugang, dessen Pfosten beben, met een toegang waarvan de deurposten beven da schufst du ihnen Tempel im Gehör. daar schep jij je tempel in het gehoor.

2. Und fast ein Mädchen wars

Und fast ein Mädchen wars und ging hervor En bijna een meisje was het en verscheen aus diesem einigen Glück von Sang und Leier uit dit unieke geluk van zang en lier und glänzte klar durch ihre Frühlingsschleier en glinsterde helder door haar lentesluier und machte sich ein Bett in meinem Ohr. en maakte zich een bed in mijn oor.
Und schlief in mir. Und alles war ihr Schlaf. En sliep in mij. En alles was haar slaap. Die Bäume, die ich je bewundert, diese De bomen, die ik zo bewonder, deze fühlbare Ferne, die gefühlte Wiese voelbare verte, de gevoelde weide und jedes Staunen, das mich selbst betraf. en elke verbazing, die mij zelf betrof.
Sie schlief die Welt. Singender Gott, wie hast Ze sliep de wereld. Zingende god, hoe heb du sie vollendet, daß sie nicht begehrte je het klaargespeeld, dat ze niet begeerde erst wach zu sein? Sieh, sie erstand und schlief. eerst wakker te zijn? Zie, ze stond op en sliep.
Wo ist ihr Tod? O, wirst du dies Motiv Waar is haar dood? O, wil je dit motief erfinden noch, eh sich dein Lied verzehrte?— uitwerken nog, voor je lied verteerd wordt?— Wo sinkt sie hin aus mir?... Ein Mädchen fast... Waar zinkt ze heen uit mij?... Een meisje bijna...

3. Ein Gott vermags

Ein Gott vermags. Wie aber, sag mir, soll Een god kan het. Hoe echter, zeg me, kan ein Mann ihm folgen durch die schmale Leier? een man hem volgen met de smalle lier? Sein Sinn ist Zwiespalt. An der Kreuzung zweier Zijn zin is dubbelzinnig. Aan de kruising van twee Herzwege steht kein Tempel für Apoll. hartenstromen staat geen tempel voor Apollo.
Gesang, wie du ihn lehrst, ist nicht Begehr, Zang, hoe je het leert, is niet begeerte, nicht Werbung um ein endlich noch Erreichtes; niet werving voor iets eindelijk bereikts; Gesang ist Dasein. Für den Gott ein Leichtes. zang is zijn. Voor een god iets lichts. Wann aber sind wir? Und wann wendet er Wanneer echter zijn wij? En wanneer wendt hij
an unser Sein die Erde und die Sterne? aan ons zijn de aarde en de sterren? Dies ists nicht, Jüngling, Daß du liebst, wenn auch Dit is niet, jongeling, wat je liefhebt, als ook die Stimme dann den Mund dir aufstößt,—lerne de stemmen dan de mond je openstoot,—leer
vergessen, daß du aufsangst. Das verrinnt. vergeten, dat je opzong. Dat verloopt. In Wahrheit singen, ist ein andrer Hauch. In waarheid zingen, is een andere adem. Ein Hauch um nichts. Ein Wehn im Gott. Ein Wind. Een adem om niets. Een ween in god. Een wind.

4. O ihr Zärtlichen

O ihr Zärtlichen, tretet zuweilen O jullie zachtmoedigen, treed nu en dan in den Atem, der euch nicht meint, in de adem, die niet voor jullie is bedoeld, laßt ihn an eueren Wangen sich teilen, laat hem op jullie wangen zich breken, hinter euch zittert er, wieder vereint. achter jullie trilt hij, weer verenigd.
O ihr Seligen, o ihr Heilen, O jullie zaligen, o jullie helen, die ihr der Anfang der Herzen scheint jullie die het begin lijken van harten Bogen der Pfeile und Ziele von Pfeilen, Boog van pijlen en doelwit van pijlen, ewiger glänzt euer Lächeln verweint. eeuwig glanst jullie lachen betraand.
Fürchtet euch nicht zu leiden, die Schwere, Vrees niet te lijden, het zware, gebt sie zurück an der Erde Gewicht; geef het gewicht ervan terug aan de aarde; schwer sind die Berge, schwer sind die Meere. zwaar zijn de bergen, zwaar zijn de zeeën.
Selbst die als Kinder ihr pflanztet, die Bäume, Zelfs wat als kinderen jullie plantten, de bomen, wurden zu schwer längst; ihr trüget sie nicht. werden lang geleden te zwaar; jullie kunnen ze niet dragen. Aber die Lüfte ... aber die Räume ... Maar de luchten ... maar de ruimtes ...

5. Errichtet keinen Denkstein

Errichtet keinen Denkstein. Laßt die Rose Richt geen gedenksteen op. Laat de roos nur jedes Jahr zu seinen Gunsten blühn. slechts elk jaar in zijn belang bloeien. Denn Orpheus ists. Seine Metamorphose Want het is Orpheus. Zijn metamorfose in dem und dem. Wir sollen uns nicht mühn in dit en dat. We moeten ons niet moeien
um andre Namen. Ein für alle Male om andere namen. Eens en voor altijd ists Orpheus, wenn es singt. Er kommt und geht. is het Orpheus, wanneer er gezongen wordt. Hij komt en gaat. Ists nicht schon viel, wenn er die Rosenschale Is het niet al veel, wanneer hij de rozenschalen um ein paar Tage manchmal übersteht? voor een paar dagen soms overleeft?
O wie er schwinden muß, daß ihrs begrifft! O hoe hij tanen moet, dat je dat begrijpt! Und wenn ihm selbst auch bangte, daß er schwände. En wanneer hij zelf ook vreesde, dat hij taande. Indem sein Wort das Hiersein übertrifft, Terwijl zijn woord het hierzijn overtreft.
ist er schon dort, wohin ihrs nicht begleitet. is hij al daar, waarheen je hem niet begeleidt. Der Leier Gitter zwängt ihm nicht die Hände. De frets van de lier binden hem niet de handen. Und er gehorcht, indem er überschreitet. En hij gehoorzaamt, doordat hij overschrijdt.

7. Robert Schumann ⁠— Mit Myrten und Rosen

Liedtekst

Heinrich Heine

Mit Myrthen und Rosen, lieblich und hold, Met mirte en rozen, lieflijk en vertrouwd, Mit duft’gen Zypressen und Flittergold, Met geurende cipressen en klatergoud, Möcht’ ich zieren dies Buch wie ’nen Totenschrein, Wilde ik kleden dit boek als een dodenschrijn, Und sargen meine Lieder hinein. En mijn liederen erin begraven
O könnt’ ich die Liebe sargen hinzu! O kon ik maar de liefde daarin begraven! Auf dem Grabe der Liebe wächst Blümlein der Ruh’, In het graf van de liefde groeit het bloemetje van de rust, Da blüht es hervor, da pflückt man es ab,— Daar schiet het omhoog, daar plukt men het af,— Doch mir blüht’s nur, wenn ich selber im Grab. Maar bij mij bloeit het pas, als ik zelf in mijn graf lig.
Hier sind nun die Lieder, die einst so wild, Hier zijn nu de liederen, die eens zo wild, Wie ein Lavastrom, der dem Ätna entquillt, Als een lavastroom, die de Etna ontwelt, Hervorgestürzt aus dem tiefsten Gemüt, Omhooggeperst uit het diepste gevoel, Und rings viel blitzende Funken versprüht! En rondom veel flitsende vonken sproeit!
Nun liegen sie stumm und totengleich, Nu liggen ze stom en als doden gelijk, Nun starren sie kalt und nebelbleich, Nu staren ze koud en nevelbleek, Doch aufs neu’ die alte Glut sie belebt, Maar ze beleven opnieuw hun oude gloed, Wenn der Liebe Geist einst über sie schwebt. Als de lieve geest eens over ze zweeft.
Und es wird mir im Herzen viel Ahnung laut: En in mijn hart groeit het sterke vermoeden: Der Liebe Geist einst über sie taut; De lieve geest stort zijn dauw eens over haar heen; Einst kommt dies Buch in deine Hand, Eens komt dit boek in jouw hand, Du süsses Lieb im fernen Land. Jij zoete geliefde in een ver land.
Dann löst sich des Liedes Zauberbann, Dan breekt de toverspreuk van het lied los, Die blassen Buchstaben schaun dich an, De bleke letters kijken je aan, Sie schauen dir flehend ins schöne Aug’, Ze kijken je smekend in je mooie ogen, Und flüstern mit Wehmut und Liebeshauch. En fluisteren met weemoed en liefdeszucht.

Dank

(Klik)

Veel dank aan Selma Harkink, mijn maestra de afgelopen vier jaar waar ik zo veel van heb geleerd.

Veel dank aan Mariken Zandvliet en Carl van Reenen, mijn genadeloze correpetitoren de afgelopen jaren.

Ook veel dank aan Jasper Schweppe, die mij het afgelopen jaar de kneepjes van het bariton-zijn heeft geleerd.

Veel dank aan Jón Þorsteinsson, die mij de eerste drie jaar aan het Utrechts Conservatorium wegwijs heeft gemaakt in het zingen na een leven van strijken.

Veel dank aan José Lieshout, Eduardo Benigno López Cabello en Roberto Redondo Sainz voor hulp met uitspraak.

Veel dank aan David Wilson-Johnson, Kaspar Kröner en Elisabeth Blom, de zangdocenten die mij geholpen hebben het conservatorium überhaupt binnen te komen.

Veel dank aan mijn ouders en aan Margreet en Els. Ik heb het hart niet op de tong, maar jullie stelden mij in staat zo ver te komen en ik probeer dat elke dag opnieuw te verdienen.

Veel dank aan mijn medezangers op het conservatorium. Ik heb er de afgelopen zeven jaar veel zien komen en gaan, en allen hebben mijn leven verder verrijkt. Met name veel dank aan Robin Lammertink voor haar medewerking aan dit examen, nota bene vlak voor haar eigen examen!

Ook veel dank aan Veronika Akhmetchina, mijn partner in crime voor heel veel projecten de afgelopen jaren. Door Covid-19 helaas niet met mij op het podium, maar wel achter de schermen actief met het licht.

Veel dank aan alle andere musici met wie ik éigenlijk had gepland te zingen of spelen tijdens dit eindexamen.

Veel dank aan Wilfred van de Peppel en Gusta Gerritsen, die me hebben geleerd hoe ik op een podium moet staan en hoe ik met de aandacht van een publiek om moet gaan.

Dank ook aan de medewerkers van het Utrechts Conservatorium. Ondanks een pandemie(!) stellen zij ons tóch in staat een fysiek eindexamen te hebben, waar bijna alle andere conservatoria dat niet doen.

Boven alles, natuurlijk: dank aan Sanne. Na de hele dag in de praktijk heeft ze ook nog energie voor mij en mijn onzin. Veel liefde daarvoor.